Ziektebeeld(en)

Korte uitleg oorzaken NAH
Als we spreken over hersenletsel wordt er een onderscheid gemaakt
tussen aangeboren en niet aangeboren hersenletsel. Voor aangeboren hersenschade
kijk op onze speciale pagina.
Niet aangeboren of verworven hersenletsel is iedere vorm van hersenletsel die zich
heeft voorgedaan vanaf de geboorte. Soms wordt een half jaar grens aangehouden
na de geboorte.
Niet aangeboren hersenletsel (NAH) wordt ingedeeld naar oorzaken:
 Traumatisch en niet-traumatisch hersenletsel
 Plaatselijk (focaal) of diffuus verspreid letsel
Sommigen prefereren het algemene woord hersenaandoeningen.
​Traumatisch hersenletsel

Traumatisch hersenletsel is letsel van buitenaf. Het volgende onderscheid wordt
gemaakt: hersenletsel
 zonder schedelletsel (bijvoorbeeld: verkeersongeval, val, zwaar voorwerp
tegen het hoofd, klap of schop tegen het hoofd)
 met schedelletsel (zoals het binnendringen van het bot als gevolg van
schedelbreuk, binnendringen van een voorwerp zoals kogel, steekwapen,
ijzeren voorwerp e.d)
 ​Hersenkneuzing
 Hersenschudding en PCS
 Whiplash /WAD
 Epiduraal hematoom / bloeding
 Subduraal hematoom /bloeding
 Shaken baby syndroom

​​Niet traumatisch hersenletsel
Niet traumatisch hersenletsel ontstaat door een proces of aandoening binnen het
lichaam, zoals:
 Beroerte/cerebrovasculair accident CVA
o herseninfarct = afsluiting bloedvat (+ vele subvormen)
o hersenbloeding= bloeding van bloedvat (+ vele subvormen)
o TIA = tijdelijke afsluiting bloedvat max 24 uur
 Infectie
o cerebrale infectie hersenontsteking/ encefalitis
o hersenvliesontsteking/meningitis
o hersenabces
o bloedvergiftiging/ sepsis
o legionella besmetting

 Gezwel /tumor (+ vele subvormen)
 Vergiftiging /intoxicatie (bijvoorbeeld hersenletsel door drugs, alcohol, foetaal
alcohol syndroom, oplosmiddelen, zware metalen, neurotoxinen)
 Zuurstofgebrek /hypoxie/anoxie (ten gevolge van hartstilstand/reanimatie,
bijna verdrinking, afsluiting luchtpijp, rookvergiftiging, voor het kind tijdens
een complicerende zwangerschappen of bevalling)
 Epilepsie als oorzaak en ook als gevolg van hersenletsel
 Waterhoofd / hydrocefalus als oorzaak en ook als gevolg van hersenletsel
 Stofwisselingsaandoeningen
o Ziekte van Batten
o Adrenoleukodystrofie (Cerebrale ALD)
o Metachromatische leukodystrofie (MLD)
o Walker Warburg syndroom
o Ziekte van Tay-Sachs
 Degeneratieve ziekten (neurodegeneratief)
o Multiple Sclerose
o Parkinson
o Alzheimer
o Huntington
o Progessieve supranucleair parese of PSP
o Frontotemporaal dementie of FTD
o Meervoudige systeem atrofie of MSA
o Cortico basale degeneratie of CBD
o Autosomaal Dominant-erfelijke Cerebellaire Ataxie of ACDA
 Zwangerschapscomplicaties
o pré-eclampsie
o eclampsie
o HELLP-syndroom
 Locked-in-syndroom soms komt dit door een bloeding of infarct, soms door
traumatisch letsel.
 Zeldzame bloedziekten

NAH ziektebeeld: Cognitieve stoornis

Cognitie is: Waarnemen, denken, onthouden van kennis
en toepassen en begrijpen
Cognitie is afgeleid van het Latijnse woord 'cognoscere', wat
kennen/weten betekent. Het is ook een begrip uit de neuropsychologie.
Het betreft dan de hersenfuncties die nodig zijn voor waarnemen,
denken, onthouden van kennis en deze kennis op een goede manier
toepassen en begrijpen.

Inleiding:
Concentratiestoornis, geheugenproblemen, vermoeidheid door het
denken, (zie ook hersenmoeheid/neurofatigue) minder snel denken.
Het zijn enkele voorbeelden van cognitieve klachten die patiënten met
hersenletsel kunnen ervaren. Deze gevolgen kunnen ook soms pas
maanden of jaren na het hersenletsel duidelijk worden.
Cognitieve problemen komen voor op gebied van weten, waarnemen
en begrijpen. Moeilijkheden met het geheugen, de concentratie en de
denksnelheid komen het meest voor.

De cognitie wordt gemeten met een intelligentietest. Bij mensen met
hersenletsel wordt het gemeten met een neuropsychologisch
onderzoek.
Een totaal IQ (TIQ) is verdeeld over een verbaal deel (VIQ), gericht op
verbale kennis en vaardigheden, en een performaal deel (PIQ), gericht
op handelingsgericht denken. Met het performaal IQ wordt bekeken of
iemand praktisch kan omgaan met problemen, plus er wordt gekeken
naar motoriek en naar ruimtelijk inzicht.
Zie filmpje, klik hier..(filmpje gemaakt voor kinderen).

Bij mensen met hersenletsel kunnen door het letsel erg gróte
verschillen bestaan tussen het VIQ en het PIQ en dan wordt gesproken
over een disharmonisch intelligentieprofiel /verbaal performaal

kloof; Vp kloof of Pv kloof. (Overigens kan dit ook voorkomen bij
hoogbegaafden en autistiforme aandoeningen.)
Om de invloed van het hersenletsel in het NPO vast te stellen wordt de
score afgezet tegen de normscore van gezonde mensen waarin leeftijd
en opleidingsniveau worden meegewogen.

 Basiscognitie = aandacht, leren, geheugen, waarneming,
denken en  taal.
 Metacognitie = beoordelingsvermogen,
redenatievermogen en  realiteitszin.
 Sociale cognitie = emotie, praktische taalvaardigheden
en empathie.
Terug naar boven

Cognitie gebieden
Na een hersenletsel kunnen er problemen zijn op cognitief gebied. Op
één of meerdere cognitieve vlakken kan men problemen hebben:
 Bewustzijn
 Begrip
 Intelligentie
 Concentratie
 Oriëntatie in tijd, plaats, persoon en ruimte
 Voorstelling
 Zelfwaarneming
 Probleemoplossend vermogen
 Beslissingsvermogen
 Geheugen
Terug naar boven

Problemen
 Aandachts-/concentratieproblemen

 Vertraging bij het verwerken van informatie (mentale
traagheid/tempo)
 Verminderd intellectueel functioneren (soms alleen op
deelgebieden)
 Geheugenproblemen , leervermogen aangetast
 Oriëntatieproblemen in persoon, plaats, tijd en ruimte
 Visueel-ruimtelijke problemen
 Problemen met het coördineren van dagelijkse en/of complexe
handelingen (apraxie)
 Problemen met het herkennen van zaken, waarnemen
 Taalproblemen (pragmatische taalstoornis, letterlijk nemen van
taal,  woordvindingsproblemen )
 Problemen met het rekenen
 Problemen met de uitvoerende functies.

Terug naar boven

Problemen met aandacht en concentratie
 Het richten van de aandacht ergens op (een gesprek, een
activiteit, een oefening).
 Het vasthouden van de aandacht op de activiteit.
 Het verdelen van de aandacht. Als dit moeilijk gaat, is het bijna
niet mogelijk om twee dingen tegelijk uit te voeren. Een gesprek
voeren tijdens het afwassen lukt bijvoorbeeld niet meer. Maar
ook een gesprek volgen met meerdere personen wordt
moeilijk.
 Beeldbellen is vaak te lastig omdat het een vorm van
multitasken is:

In tijd van corona krijgen veel cliënten met hersenletsel geen
individuele begeleiding aan huis, maar wordt het beeldbellen ingezet.
Beeldbellen is vaak korter van duur dan de geïndiceerde uren. Dat
komt mede doordat veel gezamenlijke taken niet goed uitgevoerd
kunnen worden zoals het opruimen van een kast, ordenen van
administratie, houdbaarheidsdatum controleren, medicatie samen
aanvragen etc.

Beeldbellen lijkt op multitasken ten opzichte van het gewoon praten
met iemand in een ruimte.
Het vergt meer van het concentratievermogen en van
andere executieve functies die vaak al aangedaan zijn. Het is daardoor
te vermoeiend. Er komen ook vaak te veel prikkels binnen. Vaak ziet
diegene ook zichzelf en wordt afgeleid door het eigen uiterlijk, een lok
haar die scheef zit of de kleding of achtergrond van de beeldbeller- de
boekenkast- (welke boeken leest ze?). De hulpverlener wordt in een
andere context gezien dan bij  een huisbezoek.
Een van onze leden uit de achterban zei : "Er gebeurt dan veel te veel
qua geluid en bewegen. Ik heb dan vrij snel kortsluiting in m'n hoofd".
Een ander benoemde dat het beeldscherm de factor is dat ze qua
visuele overprikkeling niet aan kan.

Tips:
 vraag als beeldbeller vooraf altijd na of beeldbellen als belastend
ervaren wordt.
 gebruik alleen veilige beeldbel toepassingen, gelet op de
wettelijke eisen aan privacy en normen voor het uitwisselen van
gevoelige zorginformatie. (= NEN- en ISO-norm voor
informatiebeveiliging in de zorg.) Veel gebruikte
consumententoepassingen als Skype, Facebook Messenger en
WhatsApp voldoen mogelijk niet aan alle beveiligingseisen die
wet- en regelgeving stellen aan het uitwisselen van
gezondheidsinformatie. Er is een lijst gemaakt van veilige
beeldbel applicaties-voor-zorg waarbij de privacy beveiligd
is: Voorbeelden zijn:
o BeterDichtbij,
o Webcamconsult
o FaceTalk
o Zaurus
o Quli
o Mobilea Beeldzorg
o WeSeeDo

LHV, InEen en NHG hebben gezamenlijk een overzicht gemaakt van bestaande
zorgtoepassingen en andere beeldbelapplicaties, waarin deze op verschillende criteria
zijn vergeleken.
 vraag of er een "BLUR" functie op de beeldbelapplicatie zit, zodat
de achtergrond wazig is.
 de beeldbeller/ begeleider moet er aan denken geen kleding aan
te trekken met drukke patronen of streepjes, anders is de
afleiding te groot.
 de beeldbeller moet tegen een effen achtergrond in beeld zijn-
geen boekenkast- geen raam met tegenlicht- geen persoonlijke
spullen waarbij de persoon met NAH een gedachtespoor krijgt dat
zich niet richt op het gesprek.
 de taken die samen gedaan worden moeten niet vergen dat de
tablet of I-pad 'meegesleept' wordt naar een andere ruimte;
lopen met een stok, kruk, of met een slechte coördinatie is een
ramp in combi met beeldbellen.
 het beeldscherm moet niet te fel zijn. Bij voorbaat kan, via de
instellingen, het scherm gedimd worden of eenvoudig te dimmen
zijn middels bijvoorbeeld een blue light app.
 iemand moet zichzelf niet 'hoeven' zien in beeld. (tip voor de
app-ontwikkelaars!)
 bij de beeldbeller mag geen achtergrondgeluid hoorbaar zijn.
 is een wandeling of samen in de tuin zitten met anderhalve meter
afstand mogelijk? Dan is dat voor een gesprek vaak beter.
 geef iemand altijd de keuze tussen gewoon telefoneren of mailen
waarop iemand iets op een eigen tijdstip kan lezen. Of de keuze
dat de camera uit kan.

We beseffen dat het een tijdelijke noodgedwongen situatie is, maar we
hopen niet dat beeldbellen een blijvende trend is."Het is simpelweg te
belastend voor een aanzienlijk aantal mensen met hersenletsel.

Inventariseren zelfredzaamheid

Bij zelfredzaamheid gaat het om de volgende levensterreinen: 
1. dagbesteding (vrije tijd, zinvolle activiteiten)
2. lichamelijk, psychisch en cognitief functioneren
3. sociaal netwerk
4. woonsituatie
5. huishouden
6. algemene dagelijkse levensverrichtingen
7. mobiliteit
8. financiën

Om te beginnen verzamel je gegevens over het leven van de zorgvrager voor het hersenletsel en het leven van de zorgvrager na het hersenletsel. Zo kun je een beeld vormen over de invloed van het hersenletsel op het leven van de zorgvrager en je ook enigzins inbeelden hoe ingrijpend het hersenletsel voor de zorgvrager is geweest.

Om te onderzoeken welke ondersteuning u nodig heeft zijn verschillende inventarisatielijsten ontwikkeld, welke u kunnen helpen bij gesprekken met onder andere de WMO.
Hieronder vind u een link naar de vragenlijsten en of hulpmiddelen.

Vragenlijst voor getroffene
Vragenlijst voor mantelzorger

  • De Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM)
    De Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) wordt ingevuld door de zorgverlener en toetst de zelfredzaamheid op de leefgebieden inkomen, werk & opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Per leefgebied is aangegeven welke feitelijke omstandigheden bij welk niveau van zelfredzaamheid horen.
  • De ZelfredzaamheidsRadar
    De ZelfredzaamheidsRadar is een breed gebruikt instrument om de zelfredzaamheid van je cliënt in kaart te brengen en samen te bedenken hoe je die kunt verbeteren, met en zonder hulpmiddelen of slimme technologie. De ZelfredzaamheidsRadar bestaat uit 15 domeinen (continentie, aankleden, mobiliteit, leervermogen, etc.) die je een cijfer (tussen 1 en 5) kunt geven. Als de cliënt op een bepaald domein lager scoort ga je zoeken naar verbeteringen.
  • De Effectenmonitor
    De Effectenmonitor is een unieke app dat de effecten meet van interventies in het sociale domein. De basis van het model wordt gevormd door het  gedragsveranderingsmodel van Prochaska ook wel het “Stages of Change” model genoemd. Dit model kent 5 fasen van gedragsverandering. Door de Effectenmonitor te gebruiken als nul-meting bij start van een traject kan na verloop van tijd inzichtelijk worden gemaakt wat de interventie heeft opgeleverd. Voor de cliënt is het erg motiverend om te zien dat de inspanningen ook zichtbare resultaten laten zien.
  • De zeldredzaamheidsmeter
    Met de zelfredzaamheidsmeter breng je de zelfredzaamheid van je cliënt in beeld. Het betreft tien levensdomeinen van de cliënt.
    Voor elk levensdomein ga je kijken in hoeverre de cliënt zelfstandig functioneert en bepaal je dus hoe zelfredzaam de cliënt is.
    Dit doe je op een schaal van 1 tot 4.

Ondersteuningsprogramma

Na de confrontatie met het NAH start de behandeling en begeleiding voor de zorgvrager. In
dit traject zijn verschillende fases te onderscheiden:
 -Acute fase;
 -Revalidatiefase;
 -Re-integratiefase;
 -Rehabilitatiefase.
Types
Vervolgens ga je kijken welk type zorgvrager je voor je hebt. GZ psycholoog Arno Prinsen
heeft vanuit zijn ervaring met zorgvragers 3 typen kunnen onderscheiden: de voorbijganger,
de zoeker en de klant.
-De voorbijganger: zorgvrager heeft een beperkt ziektebesef en erkent niet dat hij een
probleem heeft. De zorgvrager heeft dan ook nog geen hulpvraag.
-De zoeker: zorgvrager heeft enig ziektebesef. Dit komt vaak terug in een vage of slecht
omlijnde hulpvraag. De zoeker weet dat er iets met hem aan de hand is, maar wat, weet hij
niet.
-De klant: zorgvrager is zich bewust van zijn ziektebeeld. Hij/zij heeft een duidelijke vraag,
maar weet niet welke hulpmiddelen hij in kan zetten.
Disharmonisch profiel
Het is in het begeleiden van mensen met NAH zeer belangrijk kennis te hebben over en
rekening te houden met de gevolgen van een disharmonisch (intelligentie)profiel. Mensen
met NAH kunnen op de verschillende leefgebieden en ontwikkelingsgebieden op zeer
uiteenlopende niveaus functioneren. De ene taak voeren zij op een hoog niveau uit en
andere dingen kunnen vervolgens te moeilijk zijn. Iemand kan bijvoorbeeld verbaal zeer
sterk zijn maar niet meer in staat zijn ‘simpele’ uitvoerende taken, zoals een dagplanning
maken, zelfstandig te doen.
Het is belangrijk de persoon met NAH bewust te maken van dit disharmonische profiel en
hem handvatten te bieden over hoe hij hiermee om kan gaan. Omdat de discrepantie tussen
de verschillende functieniveaus niet direct duidelijk is, loopt de getroffene het risico over- of
juist onderschat te worden in zijn kunnen.
Ondersteuningsprogramma's/benaderingswijzen
Wanneer je weet welke type zorgvrager je voor je hebt zoek je een passende
ondersteuningsprogramma/benaderingswijze bij de zorgvrager. Deze
programma's/benaderingswijzen zijn ontwikkeld om de mogelijkheden van de zorgvragers,
zorgverleners en het sociale netwerk van de zorgvrager te optimaliseren.
Enkele van deze programma's worden kort toegelicht.
Empatisch directieve benadering
De empatisch directieve benadering betekent dat de zorgverlener zich inleeft in de
gevoelens en denkwereld van de cliënt en laat merken dat hij begrijpt wat er in de cliënt
omgaat en hoe hij zich daarbij voelt. Daarnaast geef hij richting aan het handelen door
aanwijzingen te geven. De zorgverlener stuurt het gedrag van de cliënt. Dit betekent geen
bevelen geven, maar aanwijzingen, invoelend en sturend.

Zintuigprikkeling
Wanneer verbaal/ rationeel contact moeilijk is blijven altijd stimulansen via zintuigen
mogelijk: geluid, licht, reuk, tast. Het doel is het bevorderen van prettige gevoelens, of:
verminderen van angsten.
Neuropsychologische revalidatie
Neuropsychologische revalidatie (ook cognitieve revalidatie genoemd) is een specialistische
behandeling gericht op het beter leren omgaan met deze beperkingen door de patiënt en
zijn omgeving.
IOG (Intensieve orthopedagogische gezinsbehandeling) op basis van competentiegericht
werken
Intensieve orthopedagogische gezinsbehandeling (IOG) richt zich op ouders en hun kinderen
in de leeftijd van 0 tot 18 jaar, met ernstige en/of langdurige gezins- en
opvoedingsproblematiek. Soms lukt het ouders niet goed om hun kinderen een veilige
opvoeding te geven zodat zij zich positief kunnen ontwikkelen; daarnaast kan er sprake zijn
van allerlei andere problemen (financiële problemen, werkloosheid of een sociaal
isolement).
PPG (Praktische pedagogische gezinsbehandeling) op basis van competentiegericht werken
Praktisch Pedagogische Gezinsbegeleiding (PPG) is een vorm van Intensieve Pedagogische
Thuishulp (IPT) voor gezinnen met kinderen tussen 0 en 18 jaar. De ouders zijn vastgelopen
in de opvoeding en de hulp heeft tot doel hun opvoedkundige competenties te versterken.
De ouders zoeken hulp bij de opvoeding en hoe om te gaan met de handicap of het gedrag
van hun kind.
Oplossingsgericht werken
Elk probleem biedt mogelijkheden voor het vinden van eigen oplossingen. Dat is kort gezegd
het vertrekpunt van oplossingsgericht werken, een basismethode in het sociaal werk voor
mensen wiens eigen oplossend vermogen tekortschiet. Het doel is mensen in staat te stellen
om op hun eigen manier en samen met mensen uit hun omgeving het probleem waarvoor zij
hulp vragen aan te pakken.
5 K's
Het doel van de methode is dat cliënten zich veilig voelen en zekerheid ervaren door een
bepaalde structuur van omgang te bieden. Informatie moet kort en bondig worden
overgebracht. Hierbij wordt slechts één onderwerp tegelijk behandeld.
(K)Concreet:Abstracte situaties en taalgebruik zijn moeilijk te bevatten. Daarom is het beter
zo concreet mogelijk bij het hier en nu van de cliënten aan te sluiten. Door de situatie
zichtbaar te maken, worden cliënten tot handelen uitgenodigd.
(K)Consequent: Het opnemen van informatie is een moeizaam proces. Opdrachten moeten
eenduidig worden gegeven en verschillende begeleiders moeten in vergelijkbare situaties zo
identiek mogelijk handelen. Dit biedt duidelijkheid en houvast voor de cliënt.
(K)Continu: Regelmaat is belangrijk. Doordat de cliënt zich niet van zijn of haar eigen
tekortkomingen bewust is, kan hij of zij die ook niet overzien of compenseren. Hierin ligt een
belangrijke taak voor de begeleiders. Zij moeten hun werk naadloos op elkaar afstemmen.

(K)Creatief: De begeleiders benaderen de cliënt op een creatieve manier. Dit geldt ook voor
het oplossen van problemen.
Brain integration
Het Brain Integration programma is bedoeld voor mensen met een NAH die in een latere
fase maatschappelijk vastlopen dan wel dreigen vast te lopen. Meestal is er bij deze
doelgroep sprake van het zogenaamde ‘uitgerevalideerd’ zijn wat betreft de primaire
revalidatieperiode. Men heeft hierin gewerkt aan basisvaardigheden, zoals lopen,
armhandfunctie, spreken, dagelijkse activiteiten en cognitie. Wanneer blijkt dat op deze
gebieden geen winst meer te behalen valt, wordt de revalidatie vaak afgesloten. Het proces
van maatschappelijke participatie moet dan nog beginnen. In een aantal gevallen is er wel
sprake van maatschappelijke reïntegratie, maar is er een door een wijziging in
omstandigheden sprake van een verstoord evenwicht.
Het Brain Integration programma is holistisch van opzet, dit wil zeggen dat RMC Groot
Klimmendaal er vanuit gaat dat het voor iemand met een Niet-Aangeboren Hersenletsel
belangrijk is te functioneren in een sociaal systeem waarbij alle levensgebieden op elkaar
zijn afgestemd. Er zijn drie hoofdlijnen te onderscheiden in het Brain Integration
programma:
• Wonen: al dan niet begeleid;
• Zinvolle dagbesteding: al dan niet betaald werk, andere vormen van dagbesteding;
• Sociaal/emotioneel welbevinden: sociale contacten, relaties, verwerking, cognitieve
vaardigheden.
PDL (Passiviteiten van het dagelijks leven)
PDL is een zorgmethode die letterlijk aan het bed van de passieve cliënt is ontstaan/ PDL
richt zich op cliënten met een grote of volledige zorgafhankelijkheid, en is gebaseerd op een
biopsychosociaal model. Ze gaat uit van de wensen en beleving van de cliënt en heeft tot
doel stabilisatie, het omgaan met beperkingen waarvoor geen herstel mogelijk is, en het
maximaal gebruiken van restcapaciteit.
Boks-Bant methode van Apperlo
De boks-bant methode is methode die uitgaat van verschillende benaderingswijzes. Boks is
gebaseerd op macht; hoog EE (expressed emotions). Het staat voor betutteling,
overbezorgdheid, kritiek en straf. Bant is gebaseerd op relatie; laag EE. Bant staat voor
bekrachtigen, assertiviteit, negeren en time out.
Hooi op je vork
Hooi op je vork is een methode voor het ondersteunen van mensen met niet-aangeboren
hersenletsel. Het begeleiden van mensen met niet-aangeboren hersenletsel roept veel
vragen op. Hoe help je de persoon zijn leven weer op orde te krijgen? Wat wil hij bereiken
en wat kan er nog? Hoe kom je hierover met elkaar in gesprek? Hoe kan je begeleiden
zonder de regie over te nemen? Begeleidingsmodel Hooi op je vork is ontwikkeld als
handreiking bij het vinden van antwoorden op deze vragen. Het model is bij uitstek geschikt
om vraaggericht werken in de praktijk vorm te geven.

Wetgeving

  • Wet aangaande zorgverzekering (zorgverzekeringswet)
    Hieruit wordt onder andere de thuiszorg vergoed als men weer naar huis kan en gaat.
    Thuiszorg kan verschillende vormen van zorg omvatten:

    • verpleging en medische verzorging;
    • hulp bij persoonlijke verzorging thuis (helpen bij het wassen en douchen, steunkousen en andere kleding aantrekken)
    • huishoudelijke hulp (koken, wassen, schoonmaken, strijken)
    • begeleiding bij het dagelijks leven, zoals tijdsbesteding of bezigheden zoals administratie
    • mantelzorgondersteuning

    Verpleging en persoonlijke verzorging vallen onder de wet voor de zorgverzekering. U betaalt hiervoor geen eigen bijdrage. De indicatie wordt geregeld door een wijkverpleegkundige van een thuiszorgorganisatie.

  • WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning).
    De andere vormen van thuiszorg vallen onder de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning). Deze vorm van zorg vraagt u aan bij de gemeente waar u woont. Voor deze zorg betaalt u een eigen bijdrage naar inkomen. Vanaf 1 januari 2019 moeten alle gemeenten een zelfde tarief hanteren.
    De indicatie wordt gesteld door een medewerker van de gemeente. Die zal niet alleen kijken naar de hulp die u nodig heeft, maar ook wat de omgeving (de mantelzorg) aan hulp kan bieden. Zo’n indicatiegesprek wordt een keukentafelgesprek genoemd. Het is belangrijk dat u en uw mantelzorger zich goed voorbereiden op dit gesprek, zodat u voldoende zorg krijgt toegewezen.
  • PGB (Persoonsgebonden budget)
    Met een persoonsgebonden budget (pgb)
    -regel je zelf je zorg;
    -huur je met dat budget je eigen zorgverleners in;
    -bepaal je zelf waar, wanneer en hoe je geholpen wordt;
    -koop je zelf voorzieningen in zoals een rolstoel;
    -kies je voor eigen regie.

Wie regelt wat?
-De gemeente regelt het pgb via de Jeugdwet.
-De gemeente regelt het pgb via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
-De zorgverzekeraar regelt het pgb via de Zorgverzekeringswet (Zvw);
-Het zorgkantoor regelt het pgb via de Wet langdurige zorg (Wlz)

  • WLZ (wet langdurige zorg)
    Als u voortdurend en intensief zorg thuis nodig heeft kunt u kiezen uit een opname in een verzorgingshuis of verpleeghuis of langdurige zorg thuis. Dit valt onder de Wet langdurige zorg. (Wlz). Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) kijkt of u aan de criteria voldoet om thuis te kunnen blijven.

De zorg die u dan krijgt omvat bij een volledig pakket thuis (vpt) ook maaltijden, dagbesteding en huishoudelijke hulp.
Een modulair pakket (mpt) is beperkter.
Beide pakketten kunnen ook met een PGB worden ingekocht.
Voor alle vormen van langdurige zorg betaalt u een eigen bijdrage.

Niet meer thuis, wat dan?
Er zijn twee mogelijkheden:

  • Het verzorgingshuis; hier woont u zelfstandig in een appartement. U krijgt hulp bij de dagelijkse handelingen (wassen, aankleden, schoonmaken) en u kunt elke dag meedoen aan verschillende activiteiten. Ook is er een maaltijdvoorziening met een restaurant waar u samen met andere bewoners de maaltijd kunt nuttigen.
    De appartementen zijn aangepast op rolstoelen en voorzien van hulpmiddelen.
    U betaalt een eigen bijdrage via de Wet langdurige zorg (Wlz)
  • Het verpleeghuis; hier beschikt u over een kamer. In de moderne verpleeghuizen beschikt u ook over eigen sanitair. Een verpleeghuis is bedoeld voor mensen die intensieve zorg nodig hebben en/of een 24 uurs aanwezigheid van verzorgend en verplegend personeel. Naast verpleging en verzorging beschikt een verpleeghuis ook over mogelijkheden voor fysiotherapie en psychologische begeleiding.
    Voor opname in een verpleeghuis betaalt u een eigen bijdrage naar vermogen.
    Een tijdelijke opname, bijvoorbeeld na een operatie en voor geriatrische revalidatie, is ook mogelijk. De opnameduur is beperkt tot 3 maanden en wordt veelal bekostigd door de zorgverzekeraar.

Communicatiestoornissen

Problemen die direct opvallen:
Sommige veranderingen in de communicatie kunnen u direct opvallen. De patiënt
kan bijvoorbeeld problemen hebben met het vinden van woorden, het vormen van
correcte zinnen en het goed begrijpen van taal. Dit heet Afasie. Ook kan er sprake
zijn van Dysartrie. De patiënt heeft dan problemen in de uitspraak. Het is bijvoorbeeld
mogelijk dat iemand meer of minder praat dan voorheen, dat hij langzamer of juist
sneller gaat praten of dat zijn klank is veranderd.
Taalstoornissen: moeite met vinden van woorden, problemen met het vormen of
begrijpen van taal (afasie); gebruik van rare woorden en zinnen; gebruik van lange
zinnen of te veel praten; informatie letterlijk nemen in plaats van figuurlijk.

Er zijn ook problemen die minder snel opvallen in dit geval kan je wel degelijk
ervaren dat de communicatie anders verloopt dan voorheen en dat er
ongemakkelijke situaties ontstaan. Deze communicatiestoornissen worden meestal
veroorzaakt door hersenletsel in de rechterhersenhelft, de zogenaamde ‘rechter-
hemisfeer taalstoornissen’.
Deze communicatie stoornis komt vaak vor bij mensen met Niet aangeboren
hersenletsel.
Deze verandering kan subtiel zijn en in eerste instantie ongrijpbaar. Iemand kan
bijvoorbeeld juist bijna  niets zeggen of heel veel spreken. Je helemaal niet aankijken
of sociaal ongepaste opmerkingen maken. De patiënt en zijn omgeving merken deze
veranderingen in de acute fase in het ziekenhuis of verzorgingstehuis niet altijd op.
Op de lange termijn kunnen kleine communicatieve veranderingen het leven van de
patiënt negatief beïnvloeden.

Tips voor de communicatie
Bedenk allereerst wat u zelf makkelijk vindt als u in het buitenland bent. Het
eerste wat u aan een rad sprekende Fransman vraagt is om langzaam te
spreken. Ook is het gemakkelijk als u van tevoren weet waarover het gesprek zal
gaan. Als u de weg vraagt en iemand helpt u door snel een tekening te maken of
iets aan te wijzen, wordt het voor u makkelijker om te begrijpen wat hij bedoelt.

 Zorg voor een rustige omgeving. Geluiden van een radio of televisie of
ander achtergrondlawaai zijn storend.
 Maak eerst oogcontact, en neem de tijd voor een gesprek.
 Spreek zoveel mogelijk in korte eenvoudige zinnen en benadruk de
belangrijkste woorden uit de zin (trefwoorden) en schrijf deze op. Maak
eventueel een eenvoudige tekening. Dat helpt de persoon met afasie om

uw boodschap te begrijpen en te onthouden, en bovendien kan hij het
geschrevene later gebruiken om aan een ander te vertellen wat er met u
besproken is.
 Controleer altijd of de boodschap begrepen is en herhaal eventueel het
besprokene aan de hand van datgene wat u opgeschreven heeft.
 Stimuleer iemand met afasie `te praten met handen en voeten`. Het gaat er
niet om hoe hij iets duidelijk maakt, als u het maar begrijpt. Het helpt vaak
als u zelf gebaren maakt of aanwijst waarover u praat. U kunt hierbij
gebruik maken van `het gespreksboek`
 Stel eenvoudige vragen en breng structuur aan in het gesprek. Vraag eerst
over wie het gaat, daarna wat er gebeurd is en eventueel waar of
wanneer.