Communicatiestoornissen

Problemen die direct opvallen:
Sommige veranderingen in de communicatie kunnen u direct opvallen. De patiënt
kan bijvoorbeeld problemen hebben met het vinden van woorden, het vormen van
correcte zinnen en het goed begrijpen van taal. Dit heet Afasie. Ook kan er sprake
zijn van Dysartrie. De patiënt heeft dan problemen in de uitspraak. Het is bijvoorbeeld
mogelijk dat iemand meer of minder praat dan voorheen, dat hij langzamer of juist
sneller gaat praten of dat zijn klank is veranderd.
Taalstoornissen: moeite met vinden van woorden, problemen met het vormen of
begrijpen van taal (afasie); gebruik van rare woorden en zinnen; gebruik van lange
zinnen of te veel praten; informatie letterlijk nemen in plaats van figuurlijk.

Er zijn ook problemen die minder snel opvallen in dit geval kan je wel degelijk
ervaren dat de communicatie anders verloopt dan voorheen en dat er
ongemakkelijke situaties ontstaan. Deze communicatiestoornissen worden meestal
veroorzaakt door hersenletsel in de rechterhersenhelft, de zogenaamde ‘rechter-
hemisfeer taalstoornissen’.
Deze communicatie stoornis komt vaak vor bij mensen met Niet aangeboren
hersenletsel.
Deze verandering kan subtiel zijn en in eerste instantie ongrijpbaar. Iemand kan
bijvoorbeeld juist bijna  niets zeggen of heel veel spreken. Je helemaal niet aankijken
of sociaal ongepaste opmerkingen maken. De patiënt en zijn omgeving merken deze
veranderingen in de acute fase in het ziekenhuis of verzorgingstehuis niet altijd op.
Op de lange termijn kunnen kleine communicatieve veranderingen het leven van de
patiënt negatief beïnvloeden.

Tips voor de communicatie
Bedenk allereerst wat u zelf makkelijk vindt als u in het buitenland bent. Het
eerste wat u aan een rad sprekende Fransman vraagt is om langzaam te
spreken. Ook is het gemakkelijk als u van tevoren weet waarover het gesprek zal
gaan. Als u de weg vraagt en iemand helpt u door snel een tekening te maken of
iets aan te wijzen, wordt het voor u makkelijker om te begrijpen wat hij bedoelt.

 Zorg voor een rustige omgeving. Geluiden van een radio of televisie of
ander achtergrondlawaai zijn storend.
 Maak eerst oogcontact, en neem de tijd voor een gesprek.
 Spreek zoveel mogelijk in korte eenvoudige zinnen en benadruk de
belangrijkste woorden uit de zin (trefwoorden) en schrijf deze op. Maak
eventueel een eenvoudige tekening. Dat helpt de persoon met afasie om

uw boodschap te begrijpen en te onthouden, en bovendien kan hij het
geschrevene later gebruiken om aan een ander te vertellen wat er met u
besproken is.
 Controleer altijd of de boodschap begrepen is en herhaal eventueel het
besprokene aan de hand van datgene wat u opgeschreven heeft.
 Stimuleer iemand met afasie `te praten met handen en voeten`. Het gaat er
niet om hoe hij iets duidelijk maakt, als u het maar begrijpt. Het helpt vaak
als u zelf gebaren maakt of aanwijst waarover u praat. U kunt hierbij
gebruik maken van `het gespreksboek`
 Stel eenvoudige vragen en breng structuur aan in het gesprek. Vraag eerst
over wie het gaat, daarna wat er gebeurd is en eventueel waar of
wanneer.